print_logo.jpg

Universiteit Gent
Vakgroep Geschiedenis
Historische Databank Lokale Statistieken



Nijverheidstelling 1896

Begrippen

Een aantal principes en definities die van toepassing waren op de telling, zijn van belang voor een correcte interpretatie van de uitkomsten.


1. Plaats van telling

De data hebben betrekking op de plaats van tewerkstelling. De werknemers uit de bouwsector werden bijvoorbeeld gerekend bij de gemeenten waar ze op 31 oktober 1896 effectief aan de slag waren. Zo ook werden de schippers ingeschreven in de plaatsen waar hun schepen op die datum aangemeerd lagen.

2. Bedrijfshoofd

"Le chef d'entreprise est celui qui, au moyen de son propre outillage, opère le déplacement, la manipulation ou la mise en oeuvre d'une marchandise quelconque, soit seul, soit avec le concours de personnes salariées par lui, et qui travaille pour le consommateur" (art. 2 van het KB van 22 juli 1896). Ambachtslieden die zonder personeel voor consumenten werkten, werden dus als bedrijfshoofden aanzien. Zo ook personen die tegen dagloon bij particulieren werkten omdat ze zelfstandig arbeid verrichten.

3. Arbeider

Een arbeider is iemand die, krachtens een geschreven of mondelinge overeenkomst, (handen)arbeid verricht voor een patroon tegen een loon. Op de voorgedrukte telformulieren werd een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de arbeiders en anderzijds de overige personeelscategorieën (bedrijfshoofden, meesters, afgevaardigde bestuurders , directeurs en adjunct-directeurs, contremaîtres, ploegbazen, diensthoofden, ingenieurs en adjunct-ingenieurs, bewakers, bureelbedienden en andere bedienden).

4. Huisarbeider

"Quiconque fait un produit fini pour le compte d'un fabricant dont la spécialité industrielle est la vente de ce produit, est ouvrier à domicile; quiconque fait subir à un produit un façonnage complémentaire, est ouvrier à domicile si par la nature technique de son travail ou de sa situation économique, il ne peut normalement s'élever au rang d'entrepreneur indépendant." Deze producenten mogen niet worden verward met de "artisans indépendants", zijnde "les personnes qui exerçent un métier ou une industrie pour leur propre compte, en travaillant directement pour le consommateur". Hierbij dient te worden vermeld dat de kinderen van deze laatsten die meewerkten met hun ouders, niet als huisarbeiders werden beschouwd.

Onder de 855 rubrieken waarvan hoger sprake, wordt een onderscheid gemaakt tussen de huisnijverheden en activiteiten in werkplaatsen ("ateliers"). We hebben deze indeling uit de bron integraal overgenomen. In geval van huisarbeid wordt per kolom vermeld of het om ondernemers, tussenpersonen of arbeiders (incl. familieleden) gaat. De rubrieken die voor deze personen zijn voorbehouden, worden in het basiswerkblad gemarkeerd door de volgende afkortingen: H-A: huisarbeiders, H-O: ondernemers en H-T: tussenpersonen in de huisnijverheid. De rubrieken met betrekking tot de fabrieken en werkplaatsen dragen geen afkorting.

5. Bedrijfseenheid

Een onderneming kan uit meerdere bedrijfseenheden bestaan wanneer die onderneming in verschillende nijverheidstakken actief was. Een fabriek die zowel cokes als steenkoolbriketten produceerde, telt twee bedrijfseenheden, namelijk één in de categorie cokesovens en één in de tak steenkoolagglomeraten.

6.Indeling van personeel en machines in bedrijfstakken

Elk personeelslid werd slechts aan één type van activiteit toegewezen. Werknemers die actief waren in meerdere sectoren van industriële productie, moesten geteld worden bij de bedrijfstak van voornaamste activiteit. Door middel van voetnoten worden in de tabellen melding gemaakt van personeelsleden die ontbreken doordat ze bij andere bedrijfstakken uit de telling werden meegerekend. Deze inlichtingen worden alleen verstrekt voor bedienden en kaderleden (directeurs, geranten, ingenieurs...), alsook voor gegevens aangaande de drijfkrachtmachines.


©: UGent, vakgroep Geschiedenis 2014